Loeksham

Het ontstaan van Loeksham

 

 

Boertje van Loeksham

Wilhelmsoord is een kleine buurtschap tussen de woonwijk Bargeres - in 19e eeuw nog de buurtschappen Zuidbarge en Noordbarge - en Nieuw Amsterdam. Wilhelmsoord ontstond in het midden van de 19e eeuw als landbouwontginning op een stukje zandgrond. Het is altijd een kleine buurtschap gebleven; zo rond 1890 woonden er ca. 150 inw. en dat komt neer op zo'n 25 huizen. De naam Wilhelmsoord is afgeleid van de broers Wilhelm en Lutke Frieling uit Noordbarge. Deze broers noemde men ook wel “Wilhelms jongs”. Het waren deze broers die in het gebied waar nu Wilhelmsoord ligt de eerste huizen bouwden. Over deze broers gaat de anekdote dat ze, hoewel sjofel gehuisvest en gekleed, toch zo bemiddeld waren dat ze de gedeputeerden van Drenthe vlotjes 25.000 gulden konden lenen.
In de volksmond heette dit gebied ook wel “Loeksham”. Loeks of Lucas was de eigenaar van een stuk groenland in de marke van Barge in een hoek of inham van de Oude Delft, een stroompje dat dwars door Zuidbarge stroomde.

Willem was in 1862 geboren als 7e kind van Jan Ensing. Evenals zijn vader en zijn broers was hij aanvankelijk werkzaam als landbouwer. Maar als er al sprake was van eigendom van een boerderij dan zou Willem als 7e kind daar weinig kans op maken. In deze contreien was het gebruikelijk dat de boerderij in zijn geheel overging naar de oudste zoon. Willem moest dus zijn heil elders zoeken. Dat zal in die tijd, midden in de periode van de grote landbouwcrises ((1876-1895), niet eenvoudig zijn geweest. Willem zal dan ook weinig oog hebben gehad voor de onbekende kunstenaar Vincent van Gogh die een paar maanden in Nieuw Amsterdam verbleef en regelmatig buiten zat te schilderen. Wel liet Willem zijn oog vallen op een aantrekkelijk “dienstbode”, Trijntje Zuidersma uit Opsterland. Trijntje was dienstbode maar had niet zomaar "dienstjes" maar werkte bij de betere families; zo had zij in Brussel en Den Haag gewoond. Trijntje was met haar ouders naar Nieuw Amsterdam verhuist omdat haar vader, die in Friesland sluiswachter was, een baan kon krijgen bij de nieuw gegraven kanalen in Zuidoost Drenthe. Trijntje was ook een echte friezin en had ook de spreekwoordelijke friese stijfkoppigheid. Willem daarentegen had iets gemakkelijks en gemoedelijks wat hem veel contacten opleverde.

Om de afvoer van turf en daarmee de ontginning van het veengebied in deze streek mogelijk te maken werd het Oranjekanaal gegraven in 1858 en de Hoogeveense vaart in 1860 verlengd; tussen 1880 en 1884 werd door ongeveer 300 arbeiders nog met de schop het Stieltjeskanaal gegraven en daarmee een verbinding gemaakt naar Coevorden. Via zijn schoonvader kon Willem zo een baan krijgen als sluiswachter bij de Stieltjeskanaal-maatschappij. Aanvankelijk telde het 12 km. lange Stieltjeskanaal 4 brugwachters en 2 sluiswachters maar na verloop van tijd werden ook de bruggelden geïnd bij de sluizen te weten Sluis I (Sluis Knol) vanaf Coevorden en Sluis II (Sluis Ensing) vanaf Nieuw Amsterdam. Overigens waren de inkomsten als sluiswachter onvoldoende om van te leven; daarom kregen de sluiswachters de beschikking over een woning en een stuk grond.

Willem verhuisde dus van de buurtschap Wilhelmsoord naar de sluiswachterswoning. Maar hij bleef in de volksmond “het boertje van Loeksham” genoemd worden.
H.D. Minderhoud neemt in zijn boek over deze Willem Ensing de volgende passage op: “De hoorn van beurtschipper Westera uit Coevorden schalt over 't water van 't Stieltjeskanaal en met vaste hand stuurt hij zijn snikke (een platte schuit) recht op de sluis bij de Zandpol aan. De kwajongens aan de oever zingen vrolijk het wijsje met de woorden die op de Zandpol overbekend zijn. Willem Ensing, de sluiswachter, is al druk bezig met de daarvoor bestemde haken de sluisdeuren open te trekken. Als de snikke “'t schut” binnenglijdt, houdt hij de schipper “'t klompie” onder de neus. Voor 't betalen van het sluisgeld – een stuiver of een dubbeltje. ……Ook Willem Ensing, de sluiswachter, voelt zich vrij man. Hij kent zijn schippers van haver tot gort en hij weet ook precies, wat hij aan hen kwijt kan. Want Ensing is behalve sluiswachter ook kruidenier; hij heeft de winkel aan huis! Levensmiddelen, klompen, “pietereulie”, manufacturen, van alles verkoopt hij aan de schippers. De Zandpolbewoners brengen hem hun overschotten aan groenten, die hij direct weer aan zijn klanten in de sluis kan doorverkopen. In de winter, als de tijden het minst zijn, koopt hij vaak een kreupel paard, dat nergens meer toe dienen kan. Hij slacht het dier thuis en verkoopt het vlees tegen afbraakprijzen aan hen, die het hard nodig hebben; paardevlees wordt immers gewoonlijk alleen maar als hondenvoer gebruikt!”


Sluis Ensing of Sluis II met winkel (manufacturen, kruidenier- en bakkerswaren, bier en koffie)

Bijna alle familie van Willem woonde in de buurt. Toen vader Jan in 1890 kwam te overlijden, trok moeder Jantien in bij haar dochter Margien en schoonzoon Jan Berends in Nieuw Amsterdam.
Willem en Trijntje kregen tussen 1893 en 1905 7 kinderen, 5 jongens en 2 meisjes en een levenloos geboren kind. Vooral de jaren rond 1898/1904 moeten zwaar zijn geweest. In 1898 overleed, nog geen jaar oud, Trijntje. Na het levenloos geboren kind in 1903 overleed in 1904 ook de bijna 3-jarige Tinus; in 1905 werd opnieuw een jongen geboren die de naam Tinus kreeg en die later de sluis van vader Willem overnam. Overigens overleed deze Tinus in 1940 aan een hartaanval toen hij zijn kleine dochter gevaarlijk op de sluis zag staan. Oudste zoon Jan kon gaan studeren, werd onderwijzer en ging later naar Indië. Zoon Hermannes werd bakker en ging in Coevorden wonen.

Voor de school was men aanvankelijk aangewezen op de school in Nieuw Amsterdam of Schoonebeek. Maar in 1908 ontstond er een openbare school aan het Stieltjeskanaal waar geleidelijk ook een eigen buurtschap ontstond rondom winkel annex cafe. Natuurlijk was dat na verloop van tijd weer aanleiding om ook eeen christelijke school te stichten. We kunnen daarover het volgende lezen: “In den avond van 2 februari 1920 is ten huize van W.Ensing te Stieltjeskanaal eene vergadering gehouden door belangstellenden in de oprichting van eene Schoolvereniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs”. De lokatie van de school kwam op de plek die later Zandpol zou gaan heten.

 

Bron: Willem Ensing.

396408 bezoekers (855066 hits) sinds 6-10-2006
Powered by webXpress